Category Archives: 2009 Australie

It’s just a bloody rock

It’s just a bloody rock
“Het is maar een rots” zei de kerel van de VVV in Coober Pedy, toen we vertelden dat we na Coober Pedy doorgingen naar Uluru (Ayers Rock). Hij was zo lyrisch over Coober Pedy, dat hij vond dat we beter daar nog 2 dagen konden blijven dan naar die rots te rijden. Aangezien onze plannen anders waren, hebben we zijn raad niet opgevolgd. We zijn onderweg gegaan naar Uluru. En dat was een bijzondere rit. Nadat het de avond en nacht ervoor flink had geregend, en we via het nieuws lazen dat er bosbranden waren in o.a. Clare Valley (waar we de dag ervoor nog waren) en er een hittegolf gaande was in Sydney en Melbourne, vertrokken we ‘s ochtends in de regen richting Uluru. Regen is erg uitzonderlijk in deze regio, maar de eerste paar uur leek het net een herfstochtend in Nederland. Ruitenwissers op de hoogste stand, snelheid aanpassen en tussen de druppels door opletten of er geen kangaroos op de weg zaten. Gelukkig werd het naarmate we noordelijker kwamen steeds beter weer. En daar gingen we natuurlijk voor. Tenslotte zijn de zonsondergang, de sterrenhemel en de zonsopgang in The Red Centre adembenemend en absoluut voor ons een van de redenen om hier naartoe te komen.
De rit was lang, maar gaandeweg brak de hemel open en werden we steeds vrolijker. We hadden dan ook een leuk spelletje voor in de auto. Wie herinnert zich niet het “lange-rit-tijdverdrijf” van vroeger: wie het eerst een rode auto ziet. Wij deden: wie het eerst een auto ziet. En die turfden we dan. We hebben nl enige onenigheid gehad over het aantal auto’s dat je in The Red Centre tegenkomt. We hebben geturfd en in de eerste 500 km zijn we 56 tegenliggers tegen gekomen, en 2 kangaroos. We hadden het geen van beiden juist geraden… Toch was het een lekker ritje. Die uitgestrektheid, die verlatenheid, dat went niet zo snel. Rijden in de rammelbak overigens ook niet. Maar we werden beloond. Na 700 kilometer zagen we Uluru aan de horizon verschijnen. Er zijn meerdere rotsen in deze omgeving en ik heb me wel afgevraagd of je Uluru direct zou herkennen. Het zou toch beschamend zijn als je stuiterend in de rammelbak zit, denkend Uluru te hebben gezien, en het blijkt een andere rots te zijn. Maar er was weinig twijfel mogelijk. Toen Uluru eenmaal aan de horizon verscheen wisten we het zeker.
Aangezien de rest van het rode landschap zo plat is als een dubbeltje, valt die rots zeer goed op. En ook zijn zusters, de Olga’s, vallen goed op, en zijn van een afstandje in ieder geval ook zeer bijzonder. We hadden onderweg al besloten om gelijk de zonsondergang maar mee te pikken die avond. We haalden wat picnic-boodschappen bij de supermarkt, ontdekten dat we in een andere tijdzone zaten en zetten de klok een uur achteruit, en zijn naar Uluru vertrokken. Even eerder hadden we al een plekje gereserveerd op de enige camping hier in de buurt. Dat had ook na zonsondergang gekund, want ik denk dat maar 10% van de plekjes bezet is. Met het kado gekregen uurtje zijn we eerst langs het informatiecentrum van Uluru gereden, alwaar er verteld wordt wat de rots voor de Aboriginals betekent. Er zijn enkele heilige plaatsen rondom de rots, vanuit mythologische vertellingen bekend. De Aboriginals verzoeken de toeristen ook met klem om de rots niet te beklimmen, omdat dat heiligschennis voor hen betekent. Alhoewel we al besloten hadden dat we dat dan ook niet zouden doen, was de beklimming ook vanwege het weer gesloten.
De zonsondergang. Die maken we met zijn allen iedere dag mee. En hoe vaak staan we hier echt bij stil? In de buurt van Uluru lijkt dit moment van levensbelang. Dan gebeurt het, daar moet je bij zijn. We wisten, op de minuut nauwkeurig, hoe laat de zon onder zou gaan (ook niet een tijdstip dat ik iedere dag zo kan oplepelen). Het zou 19:14 uur gebeuren. We waren om 17:00 uur op de uitkijk-parkeerplaats. De “place to be”  voor zonsondergangkijkers. We waren niet eens de eersten (wel de tweede). We hebben ons tafeltje opgezet, stoeltjes erbij, en onze hapjes uitgestald. We zaten eerste rang. Heerlijk genietend van het zonnetje, de hapjes en de hemel die tot kraakhelder openbrak, hebben we daar gezeten. De enige onderbreking die we hadden was de wekker, die iedere 15 minuten ging. We maakten dan een foto, zodat we het tafereeltje van de ondergaande zon nauwkeurig op de plaat vast legden. We hadden een groot kruis gemaakt in de rode aarde, zodat de foto van exact dezelfde plek genomen werd. Het werd gaandeweg steeds drukker. Het werd heel druk. Fileparkeren. Minimaal 500 mensen. De parkeerplaats is een zeer uitgerekte, dus geen geduw of getrek. Naarmate 19:14 uur naderde veranderde de rots inderdaad van kleur. Van helrood, naar oranje, naar haast goud. Prachtig. De schaduwen werden steeds groter, en de spanning steeg. De uiteindelijke zonsondergang doet een waas over de rots vallen. Alle kleur lijkt te verdwijnen. En de mensen ook. Nadat de zon was ondergegaan liep de parkeerplaats leeg. Ook wij vertrokken tevreden naar ons plekje op de camping.
Voor vandaag stond een wandeling rondom de rots in de planning. Bepakt en bezakt, met voldoende water, vertrokken we voor de wandeling. Erg bijzonder om diezelfde rots van de avond ervoor nu van zo dichtbij te zien. De wandeling was zo’n 10km lang, goed te doen voor ons. Maar: de luie vliegen vanuit Sydney zijn hier veranderd in hele actieve, irritante beestjes. Ze liften met je mee op je rugzak, je rug, je hoofd en het liefst je gezicht. Alvorens ergens te landen cirkelen ze het liefst via je oren, vlak voor je ogen en je gezicht. De tip van Koen hebben we dan ook ter harte genomen (na deze wandeling dan…) voor de dagen die komen gaan: wij lopen straks met zo’n suf netje rond ons hoofd. Maar goed, alles beter dan de ergernis die ze vandaag teweeg brachten. De wandeling was leuk, helaas is niet de hele wandeling vlak langs de rots, maar het was zeker de moeite waard. Prachtige kleurverschillen, kraters, uitgesleten kloven en bovenal bijzonder om die van veraf fluweel lijkende steen van dichtbij te zien en te voelen dat het wel keihard gesteente is.
En morgen gaan we nog 1 keer naar de rost kijken. Bij zonsopgang. Jaja, beste lezer, u leest het goed. De wekker gaat hier om 04:00 uur, zodat we op tijd zijn voor zonsopgang bij Uluru. En daarna rijden we 50 verder, naar de Olga’s. Belooft heel mooi te zijn. En rond de middag vertrekken we dan richting Kings Canyon, zo’n 300 km verderop. Wederom een natuurpark.
Maar voordat we gaan slapen gaan we nog even een wandelingetje maken met de laptop. Zo’n 500 meter verderop hebben we bereik en kunnen we dit berichtje plaatsen. Dit bijzondere berichtje overigens. Normaliter geven we wel prijs wie het bericht geschreven heeft. Vandaag is dat niet het geval. We hebben dit dan ook samen geschreven. Leek ons wel een leuk experiment. Je bedenkt wat als je in de woestijn zit (auto’s tellen, berichtjes om-en-om schrijven). Wellicht is dit gedeelde bericht een leuke quiz voor de oplettende lezer (wie schreef wat) of het is niet meer dan een wetenschap. Wij gaan nu eerst ons best doen om dit op internet te krijgen. En ondertussen kijken we nog even naar boven. Naar de sterrenhemel. De betoverde sterrenhemel, zoals je hem waarschijnlijk maar enkele keren in je leven zult zien….

“Het is maar een rots” zei de kerel van de VVV in Coober Pedy, toen we vertelden dat we na Coober Pedy doorgingen naar Uluru (Ayers Rock). Hij was zo lyrisch over Coober Pedy, dat hij vond dat we beter daar nog 2 dagen konden blijven dan naar die rots te rijden. Aangezien onze plannen anders waren, hebben we zijn raad niet opgevolgd. We zijn onderweg gegaan naar Uluru. En dat was een bijzondere rit. Nadat het de avond en nacht ervoor flink had geregend, en we via het nieuws lazen dat er bosbranden waren in o.a. Clare Valley (waar we de dag ervoor nog waren) en er een hittegolf gaande was in Sydney en Melbourne, vertrokken we ‘s ochtends in de regen richting Uluru. Regen is erg uitzonderlijk in deze regio, maar de eerste paar uur leek het net een herfstochtend in Nederland. Ruitenwissers op de hoogste stand, snelheid aanpassen en tussen de druppels door opletten of er geen kangaroos op de weg zaten. Gelukkig werd het naarmate we noordelijker kwamen steeds beter weer. En daar gingen we natuurlijk voor. Tenslotte zijn de zonsondergang, de sterrenhemel en de zonsopgang in The Red Centre adembenemend en absoluut voor ons een van de redenen om hier naartoe te komen.

De rit was lang, maar gaandeweg brak de hemel open en werden we steeds vrolijker. We hadden dan ook een leuk spelletje voor in de auto. Wie herinnert zich niet het “lange-rit-tijdverdrijf” van vroeger: wie het eerst een rode auto ziet. Wij deden: wie het eerst een auto ziet. En die turfden we dan. We hebben nl enige onenigheid gehad over het aantal auto’s dat je in The Red Centre tegenkomt. We hebben geturfd en in de eerste 500 km zijn we 56 tegenliggers tegen gekomen, en 2 kangaroos. We hadden het geen van beiden juist geraden… Toch was het een lekker ritje. Die uitgestrektheid, die verlatenheid, dat went niet zo snel. Rijden in de rammelbak overigens ook niet. Maar we werden beloond. Na 700 kilometer zagen we Uluru aan de horizon verschijnen. Er zijn meerdere rotsen in deze omgeving en ik heb me wel afgevraagd of je Uluru direct zou herkennen. Het zou toch beschamend zijn als je stuiterend in de rammelbak zit, denkend Uluru te hebben gezien, en het blijkt een andere rots te zijn. Maar er was weinig twijfel mogelijk. Toen Uluru eenmaal aan de horizon verscheen wisten we het zeker.

Aangezien de rest van het rode landschap zo plat is als een dubbeltje, valt die rots zeer goed op. En ook zijn zusters, de Olga’s, vallen goed op, en zijn van een afstandje in ieder geval ook zeer bijzonder. We hadden onderweg al besloten om gelijk de zonsondergang maar mee te pikken die avond. We haalden wat picnic-boodschappen bij de supermarkt, ontdekten dat we in een andere tijdzone zaten en zetten de klok een uur achteruit, en zijn naar Uluru vertrokken. Even eerder hadden we al een plekje gereserveerd op de enige camping hier in de buurt. Dat had ook na zonsondergang gekund, want ik denk dat maar 10% van de plekjes bezet is. Met het kado gekregen uurtje zijn we eerst langs het informatiecentrum van Uluru gereden, alwaar er verteld wordt wat de rots voor de Aboriginals betekent. Er zijn enkele heilige plaatsen rondom de rots, vanuit mythologische vertellingen bekend. De Aboriginals verzoeken de toeristen ook met klem om de rots niet te beklimmen, omdat dat heiligschennis voor hen betekent. Alhoewel we al besloten hadden dat we dat dan ook niet zouden doen, was de beklimming ook vanwege het weer gesloten.

De zonsondergang. Die maken we met zijn allen iedere dag mee. En hoe vaak staan we hier echt bij stil? In de buurt van Uluru lijkt dit moment van levensbelang. Dan gebeurt het, daar moet je bij zijn. We wisten, op de minuut nauwkeurig, hoe laat de zon onder zou gaan (ook niet een tijdstip dat ik iedere dag zo kan oplepelen). Het zou 19:14 uur gebeuren. We waren om 17:00 uur op de uitkijk-parkeerplaats. De “place to be”  voor zonsondergangkijkers. We waren niet eens de eersten (wel de tweede). We hebben ons tafeltje opgezet, stoeltjes erbij, en onze hapjes uitgestald. We zaten eerste rang. Heerlijk genietend van het zonnetje, de hapjes en de hemel die tot kraakhelder openbrak, hebben we daar gezeten. De enige onderbreking die we hadden was de wekker, die iedere 15 minuten ging. We maakten dan een foto, zodat we het tafereeltje van de ondergaande zon nauwkeurig op de plaat vast legden. We hadden een groot kruis gemaakt in de rode aarde, zodat de foto van exact dezelfde plek genomen werd. Het werd gaandeweg steeds drukker. Het werd heel druk. Fileparkeren. Minimaal 500 mensen. De parkeerplaats is een zeer uitgerekte, dus geen geduw of getrek. Naarmate 19:14 uur naderde veranderde de rots inderdaad van kleur. Van helrood, naar oranje, naar haast goud. Prachtig. De schaduwen werden steeds groter, en de spanning steeg. De uiteindelijke zonsondergang doet een waas over de rots vallen. Alle kleur lijkt te verdwijnen. En de mensen ook. Nadat de zon was ondergegaan liep de parkeerplaats leeg. Ook wij vertrokken tevreden naar ons plekje op de camping.

Voor vandaag stond een wandeling rondom de rots in de planning. Bepakt en bezakt, met voldoende water, vertrokken we voor de wandeling. Erg bijzonder om diezelfde rots van de avond ervoor nu van zo dichtbij te zien. De wandeling was zo’n 10km lang, goed te doen voor ons. Maar: de luie vliegen vanuit Sydney zijn hier veranderd in hele actieve, irritante beestjes. Ze liften met je mee op je rugzak, je rug, je hoofd en het liefst je gezicht. Alvorens ergens te landen cirkelen ze het liefst via je oren, vlak voor je ogen en je gezicht. De tip van Koen hebben we dan ook ter harte genomen (na deze wandeling dan…) voor de dagen die komen gaan: wij lopen straks met zo’n suf netje rond ons hoofd. Maar goed, alles beter dan de ergernis die ze vandaag teweeg brachten. De wandeling was leuk, helaas is niet de hele wandeling vlak langs de rots, maar het was zeker de moeite waard. Prachtige kleurverschillen, kraters, uitgesleten kloven en bovenal bijzonder om die van veraf fluweel lijkende steen van dichtbij te zien en te voelen dat het wel keihard gesteente is.

En morgen gaan we nog 1 keer naar de rost kijken. Bij zonsopgang. Jaja, beste lezer, u leest het goed. De wekker gaat hier om 04:00 uur, zodat we op tijd zijn voor zonsopgang bij Uluru. En daarna rijden we 50 verder, naar de Olga’s. Belooft heel mooi te zijn. En rond de middag vertrekken we dan richting Kings Canyon, zo’n 300 km verderop. Wederom een natuurpark.

Maar voordat we gaan slapen gaan we nog even een wandelingetje maken met de laptop. Zo’n 500 meter verderop hebben we bereik en kunnen we dit berichtje plaatsen. Dit bijzondere berichtje overigens. Normaliter geven we wel prijs wie het bericht geschreven heeft. Vandaag is dat niet het geval. We hebben dit dan ook samen geschreven. Leek ons wel een leuk experiment. Je bedenkt wat als je in de woestijn zit (auto’s tellen, berichtjes om-en-om schrijven). Wellicht is dit gedeelde bericht een leuke quiz voor de oplettende lezer (wie schreef wat) of het is niet meer dan een wetenschap. Wij gaan nu eerst ons best doen om dit op internet te krijgen. En ondertussen kijken we nog even naar boven. Naar de sterrenhemel. De betoverde sterrenhemel, zoals je hem waarschijnlijk maar enkele keren in je leven zult zien….

Coober Pedy: achter de schermen gebeurt het

Coober Pedy: achter de schermen gebeurt het
We zijn in Coober Pedy, minimaal zo’n 300km van de eerstvolgende plaats, de dorpen van minder dan 30 inwoners daargelaten. Van de buitenkant eigenlijk een troosteloos gebeuren. Toen we gisteren door de zandstorm het stadje bereikten, was dat direct onze eerste indruk. Door de hoofdstraat rijdend zagen we Aboriginals op blote voeten, midden op de rotonde, schreeuwend naar andere Aborginals die voor Johnny’s liquor store stonden. Alcoholverslaving is het grootste probleem onder de Aboriginals hebben we al van verschillende bronnen gehoord. Geen goeie binnenkomer, zulke beelden. De zandstorm hielp ook niet: weinig kleur in het stadje. Verder geen mooie huizen, meer uit golfplaten opgetrokken schuurtjes tegen heuveltjes aan. Vandaag hebben we een kijkje achter de schermen gekregen. Dat was een stuk beter. Maar wat bezielt mensen om hier te gaan wonen?
Coober Pedy is een mijnstad. Er is begin 20e eeuw hier opaal ontdekt. Opaal is een gesteente dat in een bepaalde laag van de grond gevonden kan worden, mits je natuurlijk de juiste ader ontdekt. Ik zal jullie niet vermoeien met het proces waardoor opaal gevormd wordt, ook omdat ik niet de precieze termen ken. Wikipedia geeft vast uitkomst… Hoe dan ook: opaal is een kostbaar gesteente, en net als met goud en koper trekt dat mensen aan. Zo is Coober Pedy ontstaan (de naam is een verbastering van twee Aborigal-termen die zoiets betekenen als ‘witte man die graaft’) en trekt zelfs nu nog gelukszoekers. Je kunt hier bij het stadsdeelkantoor een stukje grond kopen van 50×50 meter voor $A 58,- en gaan graven. Dat moet je dan wel minimaal 20u per week doen, anders wordt je stukje verbeurd verklaard. Zelfs op de camping waar we nu staan, op een aan drie kanten door tentzeil beschutte plek, erg fijn met die zandstormen, staan ‘miners’, gelukszoekers.
Toch is dit stadje bijzonder: achter die golfplaten schuurtjes gaan complete woningen schuil, in het gesteente. En daar is het goed toeven. Er zijn verschillende hotels, cafe’s en restaurants gevestigd in de rotsen. En terwijl het buiten ofwel 45+ graden is in de zomer, of ‘s winters rond het vriespunt, in de rotsen is het altijd een lekkere 24 graden. Van buiten een agenebbis zooitje, van binnen keurig, goed verzorgd. Als je met een blinddoek op naar binnen zou worden gebracht zou dat troosteloze aan je voorbij zijn gegaan, zou je je het zelfs niet kunnen voorstellen. We hebben twee musea bezocht over de geschiedenis van het mijnwerken, het stadje en opaal. Erg leuk, mooi en op sommige punten zeker ook indrukwekkend. En lekker koel! Maar eenmaal weer buiten vraag je je toch weer af: wat bezielt deze mensen, vooral de niet-mijnwerkers.
Wellicht dat het de 150.000 toeristen per jaar zijn die je een bestaan geven. Dat zou kunnen, maar er zitten 24 uur in een dag! Twee voorbeelden: de medewerker van de plaatselijke VVV noemde het de mooiste stad in de wereld. Hij had op andere plaatsen gewoond, maar Coober Pedy was het helemaal. Hij wilde nooit meer weg. Het meisje (begin 20, met Duitse tongval) dat de rondleiding verzorgde in het tweede museum woonde in Coober Pedy, in de rotsen. Wat bezielt deze mensen? Gelukszoekers, op een andere manier?
Wij kunnen de beginvraag niet beantwoorden. Met de beste wil van de wereld. Het is hier erg bijzonder, zeker een aanrader voor iedereen die The Red Centre wilt bezoeken, maar na twee dagen vertrekken wij morgen erg graag weer naar onze volgende bestemming. Als we dan toch een voordeel moeten noemen: als je hier 18 holes wilt lopen hoef je niet te vrezen voor wachtlijsten of volle flights. Je moet wel voor lief nemen dat er geen grasspriet te bekennen is, de greens van zwart grind zijn en je af en toe moet schuilen voor een zandstormpje. Ik kan me niet herinneren wat de regels daarover zeggen…
Morgen Uluru, ofwel Ayers Rock. Maar eerst 700km rijden… met airco! G’day, mates!
We zijn in Coober Pedy, minimaal zo’n 300km van de eerstvolgende plaats, de dorpen van minder dan 30 inwoners daargelaten. Van de buitenkant eigenlijk een troosteloos gebeuren. Toen we gisteren door de zandstorm het stadje bereikten, was dat direct onze eerste indruk. Door de hoofdstraat rijdend zagen we Aboriginals op blote voeten, midden op de rotonde, schreeuwend naar andere Aborginals die voor Johnny’s liquor store stonden. Alcoholverslaving is het grootste probleem onder de Aboriginals hebben we al van verschillende bronnen gehoord. Geen goeie binnenkomer, zulke beelden. De zandstorm hielp ook niet: weinig kleur in het stadje. Verder geen mooie huizen, meer uit golfplaten opgetrokken schuurtjes tegen heuveltjes aan. Vandaag hebben we een kijkje achter de schermen gekregen. Dat was een stuk beter. Maar wat bezielt mensen om hier te gaan wonen?
Coober Pedy is een mijnstad. Er is begin 20e eeuw hier opaal ontdekt. Opaal is een gesteente dat in een bepaalde laag van de grond gevonden kan worden, mits je natuurlijk de juiste ader ontdekt. Ik zal jullie niet vermoeien met het proces waardoor opaal gevormd wordt, ook omdat ik niet de precieze termen ken. Wikipedia geeft vast uitkomst… Hoe dan ook: opaal is een kostbaar gesteente, en net als met goud en koper trekt dat mensen aan. Zo is Coober Pedy ontstaan (de naam is een verbastering van twee Aborigal-termen die zoiets betekenen als ‘witte man die graaft’) en trekt zelfs nu nog gelukszoekers. Je kunt hier bij het stadsdeelkantoor een stukje grond kopen van 50×50 meter voor $A 58,- en gaan graven. Dat moet je dan wel minimaal 20u per week doen, anders wordt je stukje verbeurd verklaard. Zelfs op de camping waar we nu staan, op een aan drie kanten door tentzeil beschutte plek, erg fijn met die zandstormen, staan ‘miners’, gelukszoekers.
Toch is dit stadje bijzonder: achter die golfplaten schuurtjes gaan complete woningen schuil, in het gesteente. En daar is het goed toeven. Er zijn verschillende hotels, cafe’s en restaurants gevestigd in de rotsen. Zelfs verschillende kerken! Uiteraard hebben we een van de kerken bezocht en een kaarsje opgestoken… En terwijl het buiten ofwel 45+ graden is in de zomer, of ‘s winters rond het vriespunt, in de rotsen is het altijd een lekkere 24 graden. Van buiten een agenebbis zooitje, van binnen keurig, goed verzorgd. Als je met een blinddoek op naar binnen zou worden gebracht zou dat troosteloze aan je voorbij zijn gegaan, zou je je het zelfs niet kunnen voorstellen. We hebben twee musea bezocht over de geschiedenis van het mijnwerken, het stadje en opaal. Erg leuk, mooi en op sommige punten zeker ook indrukwekkend. En lekker koel! Maar eenmaal weer buiten vraag je je toch weer af: wat bezielt deze mensen, vooral de niet-mijnwerkers.
Wellicht dat het de 150.000 toeristen per jaar zijn die je een bestaan geven. Dat zou kunnen, maar er zitten 24 uur in een dag! Twee voorbeelden: de medewerker van de plaatselijke VVV noemde het de mooiste stad in de wereld. Hij had op andere plaatsen gewoond, maar Coober Pedy was het helemaal. Hij wilde nooit meer weg. Het meisje (begin 20, met Duitse tongval) dat de rondleiding verzorgde in het tweede museum woonde in Coober Pedy, in de rotsen. Wat bezielt deze mensen? Gelukszoekers, op een andere manier?
Wij kunnen de beginvraag niet beantwoorden. Met de beste wil van de wereld. Het is hier erg bijzonder, zeker een aanrader voor iedereen die The Red Centre wilt bezoeken, maar na twee dagen vertrekken wij morgen erg graag weer naar onze volgende bestemming. Als we dan toch een voordeel moeten noemen: als je hier 18 holes wilt lopen hoef je niet te vrezen voor wachtlijsten of volle flights. Je moet wel voor lief nemen dat er geen grasspriet te bekennen is, de greens van zwart grind zijn en je af en toe moet schuilen voor een zandstormpje. Ik kan me niet herinneren wat de regels daarover zeggen…
Morgen Uluru, ofwel Ayers Rock. Maar eerst 700km rijden… met airco! G’day, mates!

The Outback en bijzondere ontmoetingen

The Outback en bijzondere ontmoetingen
Vandaag zijn we een beetje in Australië, maar ook een beetje in Brazilië en in Nederland. Daar willen we niet aan voorbij gaan. Toch willen we jullie graag op de hoogte houden van onze avonturen in Australië. Zodoende zal ik me daarop richten en jullie vertellen over de dag van gisteren.
Gisteren ging de wekker om 06:00 uur. Het serieuze werk ging beginnen. Op weg naar the Outback. Er was een negatief reisadvies afgegeven vanwege het weer, het zou te warm worden. Maar we zijn mensen met een missie, met nog een goede 2.000 km voor de boeg. Zodoende vroeg op, om voor de grote hitte kilometers richting het noorden te maken. En dat ging niet onverdienstelijk. Het was allemaal redelijk te overzien, en we gingen fit en uitgerust op pad. Na 3 uur en zo’n 250 km waren we bij Port Augusta. Daar begint het eigenlijk. Alle wegen leiden daar naar het oosten, zuid-oosten, westen, zuid-westen, op 1 weg na. De weg naar the red centre. De weg naar de woestijn. Om wat moed te verzamelen zijn we gestopt in Port Augusta. Gewoontegetrouw langs gegaan bij onze vrienden van het visitors center, boodschappen gedaan (en liters water ingeslagen). En toen gingen we…
Het was inmiddels wat warmer geworden, en richting het noorden leek de temperatuur met de kilometer op te lopen. Tot onuitstaanbare hoogte, 45+. We hadden duidelijke afspraken over het rijden. Ieder uur, iedere circa 100 km zouden we wisselen. Na 50 kilometer dreef ik mijn kleding uit en zijn we gestopt bij een parkeerplaats. We moesten wisselen, Martijn moest verder rijden, ik zag niet veel meer doordat het zweet in mijn ogen ging lopen. En daar, op die parkeerplaats, hadden we een bijzondere ontmoeting. Je moet je voorstellen dat we op dat moment nog niet veel tegenliggers gezien hadden, hooguit 10. En op die parkeerplaats zagen wij een auto van de andere richting komen. De parkeerplaats voorbij rijden. Omdraaien om vervolgens toch de parkeerplaats op te rijden. Waarom? Geen idee. Raar was het wel; haast beangstigend. Uiteraard werd een babbeltje gemaakt. Ik vertelde de vrouw dat het haast te warm was om te rijden, omdat we geen airco hebben. Ze kwamen zojuist uit het noorden, en wisten wat ons te wachten stond. Ze riep haar man erbij en vertelde hem over onze uitdaging. Welke hij niet leek te willen geloven. De motorkap moest open. En om een lang verhaal kort te maken; binnen 5 minuten loeide onze airco op volle toeren en daalde de temperatuur van de oorspronkelijke 45 graden tot een aangename medio 20-er. Het knopje met het sneeuwvlokje. Het knopje waarvan we niet begrepen dat het was. Dat was de airco.. We hebben 1.938 kilometer afgelegd zonder te weten dat we airco hadden. En de eerste 1.888 kilometer gingen op zich prima. Maar die laatste 50 kilometer gingen we ons zorgen maken. Het was te warm. We gingen het zo niet halen. En juist op dat moment kwamen deze mensen voorbij. Want dat was het, een voorbijgaan. Na het airco-momentje zijn ze weer ingestapt en vertrokken. Op weg naar het koele(re) zuiden.
Met dat de temperatuur in de rammelbak daalde, steeg de stemming. We waren niet meer kapot te krijgen. Zo gelukkig. En beschaamd natuurlijk. Gaan we dit vertellen? Hoe dom kun je zijn… Tja, dom, maar wel eerlijk. Want dit verhaal wilde we jullie niet onthouden. Lachen is toegestaan.
De reis was waanzinnig. Wat een landschap. Wat een droogte. Wat veel ‘niets’. Totdat je een tijdje in het landschap rijdt. Dan gaan je de subtiele veranderingen opvallen en wordt het nog indrukwekkender. We hebben genoten. 550 kilometer genoten van subtiele veranderingen. En hier en daar een zoutmeer. De droogte heeft haar sporen achter gelaten. En die hitte! Onvoorstelbaar. We zijn zo nu en dan gestopt, want zo nu en dan wisselen bleef een goed idee. Ik herinner me dat we in de weinige schaduw van de camper stonden. Een strookje slechts, omdat de zon zo hoog staat. En terwijl we daar stonden voelde ik mijn benen verbranden. Mijn benen die in de schaduw stonden. Het was niet de zon die haar werk deed, maar de wind die onder de camper door kwam. De wind die een temperatuur van zeker 40 graden had. Wat een vreemde belevenis.
We zouden tot Glendambo doorrijden en daar overnachten. Glendambo bleek niet meer dan een benzinestation, met camping. De bevolking in Glendambo? Zie de foto’s. Het was pas 15:00 uur en het was in de camper lekker koel. Dit deed ons besluiten om door te rijden tot Coober Pedy. Die 252 kilometer kon er nog wel bij. En in dit laatste stuk hadden we wederom een bijzondere ontmoeting. Met Vittor. Vittor kwamen we tegen op een parkeerplaats. Hij lag uit te rusten in de weinige schaduw op de parkeerplaats. Naast hem stond zijn fiets. Vittor komt uit Baskenland en steekt Australië door met zijn fiets. En dat zal uitkomen op 5.000 kilometer. Op een fiets. Vittor was wat bezorgd, want de watertank op deze parkeerplaats was leeg. En hij moest nog 85 kilometer naar de Glendambo. Hij zou die tocht de volgende nacht/ochtend afleggen. We hebben een tijdje met Vittor gepraat. Over zijn avonturen dusver, en zijn gelukkige gedachten bij de kilometers die nog zullen volgen. Diep onder de indruk. Wat een held. Uiteindelijk zijn we doorgereden, nadat we Vittor 4,5 liter water hadden gegeven. We genieten nog van de gedachte dat het koude water voor hem een geschenk moeten zijn geweest. Te weten dat het water dat hij nog had minimaal 40 graden moet zijn geweest. Druk zwaaiend keek hij ons na, om vervolgens tevreden weer naar zijn schaduwplekje te gaan.
Vlakbij Coober Pedy werden we overvallen door een zandstorm. De wind, die toch al behoorlijk was, trok aan en we werden tegemoet gekomen door zand. Heel veel zand. En donkere luchten. Het weer betrekt hier. Onweer op komst. En droogte, heel veel droogte. Gisteravond, vlak nadat we aankwamen zaten we in de camper. Uit te rusten van de 756 kilometer die we in totaal aflegden. Buiten vloog het zand rond de camper. Ik moest denken aan de film The English Patient. In de woestijn worden de hoofdpersonen overvallen door een zandstorm, en zitten uren in de auto. Overal stof. De vrouwelijke hoofdpersoon, ik ben haar naam kwijt, mijmert over water. En haar verlangen naar water. Het is een bijzonder stukje in de film, welke ik overigens de beste film ooit vind. Gisteren voelde ik hetzelfde. Verlangen naar water, even een einde aan al dat stof. Maar bovenal voelden we allebei een groot gelukzalig gevoel. Dat dit heel bijzonder is. We zitten midden in de woestijn…

Vandaag zijn we een beetje in Australië, maar ook een beetje in Brazilië en in Nederland. Daar willen we niet aan voorbij gaan. Toch willen we jullie graag op de hoogte houden van onze avonturen in Australië. Zodoende zal ik me daarop richten en jullie vertellen over de dag van gisteren.

Gisteren ging de wekker om 06:00 uur. Het serieuze werk ging beginnen. Op weg naar the Outback. Er was een negatief reisadvies afgegeven vanwege het weer, het zou te warm worden. Maar we zijn mensen met een missie, met nog een goede 2.000 km voor de boeg. Zodoende vroeg op, om voor de grote hitte kilometers richting het noorden te maken. En dat ging niet onverdienstelijk. Het was allemaal redelijk te overzien, en we gingen fit en uitgerust op pad. Na 3 uur en zo’n 250 km waren we bij Port Augusta. Daar begint het eigenlijk. Alle wegen leiden daar naar het oosten, zuid-oosten, westen, zuid-westen, op 1 weg na. De weg naar the red centre. De weg naar de woestijn. Om wat moed te verzamelen zijn we gestopt in Port Augusta. Gewoontegetrouw langs gegaan bij onze vrienden van het visitors center, boodschappen gedaan (en liters water ingeslagen). En toen gingen we…

Het was inmiddels wat warmer geworden, en richting het noorden leek de temperatuur met de kilometer op te lopen. Tot onuitstaanbare hoogte, 45+. We hadden duidelijke afspraken over het rijden. Ieder uur, iedere circa 100 km zouden we wisselen. Na 50 kilometer dreef ik mijn kleding uit en zijn we gestopt bij een parkeerplaats. We moesten wisselen, Martijn moest verder rijden, ik zag niet veel meer doordat het zweet in mijn ogen ging lopen. En daar, op die parkeerplaats, hadden we een bijzondere ontmoeting. Je moet je voorstellen dat we op dat moment nog niet veel tegenliggers gezien hadden, hooguit 10. En op die parkeerplaats zagen wij een auto van de andere richting komen. De parkeerplaats voorbij rijden. Omdraaien om vervolgens toch de parkeerplaats op te rijden. Waarom? Geen idee. Raar was het wel; haast beangstigend. Uiteraard werd een babbeltje gemaakt. Ik vertelde de vrouw dat het haast te warm was om te rijden, omdat we geen airco hebben. Ze kwamen zojuist uit het noorden, en wisten wat ons te wachten stond. Ze riep haar man erbij en vertelde hem over onze uitdaging. Welke hij niet leek te willen geloven. De motorkap moest open. En om een lang verhaal kort te maken; binnen 5 minuten loeide onze airco op volle toeren en daalde de temperatuur van de oorspronkelijke 45 graden tot een aangename medio 20-er. Het knopje met het sneeuwvlokje. Het knopje waarvan we niet begrepen dat het was. Dat was de airco.. We hebben 1.938 kilometer afgelegd zonder te weten dat we airco hadden. En de eerste 1.888 kilometer gingen op zich prima. Maar die laatste 50 kilometer gingen we ons zorgen maken. Het was te warm. We gingen het zo niet halen. En juist op dat moment kwamen deze mensen voorbij. Want dat was het, een voorbijgaan. Na het airco-momentje zijn ze weer ingestapt en vertrokken. Op weg naar het koele(re) zuiden.

Met dat de temperatuur in de rammelbak daalde, steeg de stemming. We waren niet meer kapot te krijgen. Zo gelukkig. En beschaamd natuurlijk. Gaan we dit vertellen? Hoe dom kun je zijn… Tja, dom, maar wel eerlijk. Want dit verhaal wilde we jullie niet onthouden. Lachen is toegestaan.

De reis was waanzinnig. Wat een landschap. Wat een droogte. Wat veel ‘niets’. Totdat je een tijdje in het landschap rijdt. Dan gaan je de subtiele veranderingen opvallen en wordt het nog indrukwekkender. We hebben genoten. 550 kilometer genoten van subtiele veranderingen. En hier en daar een zoutmeer. De droogte heeft haar sporen achter gelaten. En die hitte! Onvoorstelbaar. We zijn zo nu en dan gestopt, want zo nu en dan wisselen bleef een goed idee. Ik herinner me dat we in de weinige schaduw van de camper stonden. Een strookje slechts, omdat de zon zo hoog staat. En terwijl we daar stonden voelde ik mijn benen verbranden. Mijn benen die in de schaduw stonden. Het was niet de zon die haar werk deed, maar de wind die onder de camper door kwam. De wind die een temperatuur van zeker 40 graden had. Wat een vreemde belevenis.

We zouden tot Glendambo doorrijden en daar overnachten. Glendambo bleek niet meer dan een benzinestation, met camping. De bevolking in Glendambo? Zie de foto’s. Het was pas 15:00 uur en het was in de camper lekker koel. Dit deed ons besluiten om door te rijden tot Coober Pedy. Die 252 kilometer kon er nog wel bij. En in dit laatste stuk hadden we wederom een bijzondere ontmoeting. Met Vittor. Vittor kwamen we tegen op een parkeerplaats. Hij lag uit te rusten in de weinige schaduw op de parkeerplaats. Naast hem stond zijn fiets. Vittor komt uit Baskenland en steekt Australië door met zijn fiets. En dat zal uitkomen op 5.000 kilometer. Op een fiets. Vittor was wat bezorgd, want de watertank op deze parkeerplaats was leeg. En hij moest nog 85 kilometer naar de Glendambo. Hij zou die tocht de volgende nacht/ochtend afleggen. We hebben een tijdje met Vittor gepraat. Over zijn avonturen dusver, en zijn gelukkige gedachten bij de kilometers die nog zullen volgen. Diep onder de indruk. Wat een held. Uiteindelijk zijn we doorgereden, nadat we Vittor 4,5 liter water hadden gegeven. We genieten nog van de gedachte dat het koude water voor hem een geschenk moeten zijn geweest. Te weten dat het water dat hij nog had minimaal 40 graden moet zijn geweest. Druk zwaaiend keek hij ons na, om vervolgens tevreden weer naar zijn schaduwplekje te gaan.

Vlakbij Coober Pedy werden we overvallen door een zandstorm. De wind, die toch al behoorlijk was, trok aan en we werden tegemoet gekomen door zand. Heel veel zand. En donkere luchten. Het weer betrekt hier. Onweer op komst. En droogte, heel veel droogte. Gisteravond, vlak nadat we aankwamen zaten we in de camper. Uit te rusten van de 756 kilometer die we in totaal aflegden. Buiten vloog het zand rond de camper. Ik moest denken aan de film The English Patient. In de woestijn worden de hoofdpersonen overvallen door een zandstorm, en zitten uren in de auto. Overal stof. De vrouwelijke hoofdpersoon, Katherine, mijmert over water. En haar verlangen naar water. Het is een bijzonder stukje in de film, welke ik overigens de beste film ooit vind. Gisteren voelde ik hetzelfde. Verlangen naar water, even een einde aan al dat stof. Maar bovenal voelden we allebei een groot gelukzalig gevoel. Dat dit heel bijzonder is. We zitten midden in de woestijn…

Oom Bas

We zijn in de woestijn. Het is droog, verlaten en het landschap is sprookjesachtig. Zichtbare droogte, wijds zicht, en dat prachtige rode zand. Ik ben een keer eerder in vergelijkbaar landschap geweest. Vijf jaar geleden, tijdens een geweldige reis met Marjoke naar Brazilie. We hebben toen oom Bas bezocht, de jongste broer van mijn vader.

Ongeveer dertig jaar geleden vertrok hij met zijn gezin naar Brazilie, om daar een avontuur aan te gaan en een leven op te bouwen. De ontmoeting met oom Bas was een bijzondere, en vooral bijzonder fijne ontmoeting.. We leerden een fijne, warme, hartelijke man kennen. Vol verhalen over zijn bestaan in het land van de ongekende mogelijkheden en onmogelijkheden, zoals hij het graag verwoordde.

Vandaag kregen we het bericht dat oom Bas is overleden.

Wijn

Wijn
Vandaag hebben we wat wijngebieden bezocht. We zijn geen wijnkenners, Nicolien is wel een liefhebber (maar heeft haar vak Drankenkennis verwaarloosd) en ik drink af en toe een glaasje mee. Vanwege het vorige artikel waren we er natuurlijk wel op gebrand om met goede verhalen over The Barossa, Eden Valley en Clare Valley (alweer een tip van Tante Corrie!) te komen. We besloten dan ook vanochtend om, zoals ons bij de reis kado gekregen boekje ‘Wat en hoe Australië’ als goede tip gaf, de wijngaard van Seppeltsfield te bezoeken en met de tour van 11:00 mee te gaan. Toen we daar aankwamen bleek de tour niet om 11:00 te gaan, maar om 11:30. Ook voor de 11:00 tour waren we wat te vroeg, maar om te wachten op de 11:30 tour vonden we wat zonde van de tijd. Kortom: we zijn weer verder gegaan. Jammer dat het boekje de verkeerde tijd aangaf… Vonden we toen…
Aangezien we toch wat kilometers wilden maken om wat voor te komen op ons reisschema, besloten we door te rijden met een kleine omweg via Eden Valley, in de hoop nog een wijngaard te vinden die ons een rondleiding kon geven. Bij het plaatselijke postkantoor (we moesten nog postzegels hebben voor de ansichtkaarten die we in Sydney gekocht hebben…) om een goede tip gevraagd. Om een lang verhaal kort te maken: via een niet-geasfalteerde weg, een paar kleine dorpjes, wat hobbelwegen en karrensporen kwamen we in een verlaten dorpje, waar de wijnboer in geen velden of wegen te bekennen was. Op dus naar Clare Valley, onze eindbestemming van vandaag.
Bij de VVV in Clare – zoals gebruikelijk halen we onze informatie bij de locals – gevraagd naar de campings in Clare, en een goede tip voor een wijngaard die ons ook een kleine rondleiding kon geven. Met beide vragen waren we snel geholpen: er is maar een camping in Clare (en daar staan we dus) en we moesten naar een wijngaard even buiten het dorp. Daar zouden we wel een rondleiding kunnen krijgen. En zoals gebruikelijk kwamen ook nu weer de beste tips van de locals en niet uit de boekjes.
Na even zoeken kwamen we op een erf aan, zoals wij denken typisch Australisch, met een veranda aan het huis. Verder geen enkele poging om dit aantrekkelijk te maken voor bezoekers. Ok, een winkeltje aan huis (of zoals dat hier heet een cellar door), maar geen uitgebreide tentoonstelling of museum. Een man van in de 60 stond ons te woord, terwijl hij aan zijn auto stond te klussen. We vertelden dat we getipt waren door de VVV en dat hij ons misschien wat meer over wijn maken kon vertellen. Ach, dat ging wel lukken. Nadat zijn klus geklaard was nam hij ons mee naar de schuur. En volgens zijn eigen woorden: er zit niets van romantiek bij, het is gewoon druiven in een machine stoppen en zorgen dat het hele proces goed verloopt. Totdat het op proeven aankomt. En dan begint de kunst, zijn eigen kunstwerk. Want wijn maak je op basis van eigen smaak. En vervolgens liet hij uit de ketels verschillende wijnen proeven. De wijn rijpt nog verder in eikenhouten vaten, maar de wijn die wij geproefd hebben smaakte al heerlijk. Hij liet ons ook nog even de bocht proeven die, niet onder eigen label vertelde hij er expliciet bij, naar China werd geëxporteerd. Die was veel minder lekker, maar goed, het verkocht.
De manier waarop hij vertelde over zijn wijn was fantastisch. Niet met poeha, wel met trots. Tussendoor liet hij ons ook nog even Muscat proeven, geen echte wijn, maar wel samengesteld uit 28 oogsten. Lekker! Terug in het winkeltje liet hij ons ook nog even twee rode wijnen uit 2006 proeven, als klap op de vuurpijl. Van de 50 vaten waren er drie van sublieme kwaliteit, en die zette hij ons voor. Alsof er een engeltje… Afijn. Deze waren dan ook zo’n 30 euro per fles. Ook liet hij ons en passant nog even de behaalde prijzen zien, o.a. die van de beste Riesling van de wereld in 2003. Na het winnen van de prijs hebben ze die niet meer verkocht, maar voor eigen gebruik gehouden. Zo zijn ze dan wel.
Met 12 flessen wijn, twee van iedere soort die we lekker vonden, en verpakkingsmateriaal om ze in het vliegtuig te vervoeren, zijn we vertrokken. Zes flessen om hier op te drinken, zes om thuis met deze en gene 😉 te proeven. En hij vond ons blijkbaar zo aardig, dat we ook nog eens de aangebroken 2006 flessen meekregen (die van die drie sublieme vaten) en een fles van de winnende Riesling uit 2003. We waren er enorm vereerd mee natuurlijk, maar we waren vooral blij met deze ontmoeting. Deze man nam, zoals de meeste mensen die we hier tegenkomen, echt de tijd voor ons. We hebben genoten en hele lekkere wijn meegenomen. En aangezien hij nog geen afzet in Europa heeft en wil uitbreiden… houden we de naam van deze wijngaard nog even voor onszelf… We zien wel wat in een handeltje met deze man, niet in de minste plaats omdat we deze wijn dan ook thuis kunnen proeven. Arme Henri Bloem… Cheers!
Vandaag hebben we wat wijngebieden bezocht. We zijn geen wijnkenners, Nicolien is wel een liefhebber (maar heeft haar vak Drankenkennis verwaarloosd) en ik drink af en toe een glaasje mee. Vanwege het vorige artikel waren we er natuurlijk wel op gebrand om met goede verhalen over The Barossa, Eden Valley en Clare Valley (alweer een tip van Tante Corrie!) te komen. We besloten dan ook vanochtend om, zoals ons bij de reis kado gekregen boekje ‘Wat en hoe Australië’ als goede tip gaf, de wijngaard van Seppeltsfield te bezoeken en met de tour van 11:00 mee te gaan. Toen we daar aankwamen bleek de tour niet om 11:00 te gaan, maar om 11:30. Ook voor de 11:00 tour waren we wat te vroeg, maar om te wachten op de 11:30 tour vonden we wat zonde van de tijd. Kortom: we zijn weer verder gegaan. Jammer dat het boekje de verkeerde tijd aangaf… Vonden we toen…
Aangezien we toch wat kilometers wilden maken om wat voor te komen op ons reisschema, besloten we door te rijden met een kleine omweg via Eden Valley, in de hoop nog een wijngaard te vinden die ons een rondleiding kon geven. Bij het plaatselijke postkantoor (we moesten nog postzegels hebben voor de ansichtkaarten die we in Sydney gekocht hebben…) om een goede tip gevraagd. Om een lang verhaal kort te maken: via een niet-geasfalteerde weg, een paar kleine dorpjes, wat hobbelwegen en karrensporen kwamen we in een verlaten dorpje, waar de wijnboer in geen velden of wegen te bekennen was. Op dus naar Clare Valley, onze eindbestemming van vandaag.
Bij de VVV in Clare – zoals gebruikelijk halen we onze informatie bij de locals – gevraagd naar de campings in Clare, en een goede tip voor een wijngaard die ons ook een kleine rondleiding kon geven. Met beide vragen waren we snel geholpen: er is maar een camping in Clare (en daar staan we dus) en we moesten naar een wijngaard even buiten het dorp. Daar zouden we wel een rondleiding kunnen krijgen. En zoals gebruikelijk kwamen ook nu weer de beste tips van de locals en niet uit de boekjes.
Na even zoeken kwamen we op een erf aan, zoals wij denken typisch Australisch, met een veranda aan het huis. Verder geen enkele poging om dit aantrekkelijk te maken voor bezoekers. Ok, een winkeltje aan huis (of zoals dat hier heet een cellar door), maar geen uitgebreide tentoonstelling of museum. Een man van in de 60 stond ons te woord, terwijl hij aan zijn auto stond te klussen. We vertelden dat we getipt waren door de VVV en dat hij ons misschien wat meer over wijn maken kon vertellen. Ach, dat ging wel lukken. Nadat zijn klus geklaard was nam hij ons mee naar de schuur. En volgens zijn eigen woorden: er zit niets van romantiek bij, het is gewoon druiven in een machine stoppen en zorgen dat het hele proces goed verloopt. Totdat het op proeven aankomt. En dan begint de kunst, zijn eigen kunstwerk. Want wijn maak je op basis van eigen smaak. En vervolgens liet hij uit de ketels verschillende wijnen proeven. De wijn rijpt nog verder in eikenhouten vaten, maar de wijn die wij geproefd hebben smaakte al heerlijk. Hij liet ons ook nog even de bocht proeven die, niet onder eigen label vertelde hij er expliciet bij, naar China werd geëxporteerd. Die was veel minder lekker, maar goed, het verkocht.
De manier waarop hij vertelde over zijn wijn was fantastisch. Niet met poeha, wel met trots. Tussendoor liet hij ons ook nog even Muscat proeven, geen echte wijn, maar wel samengesteld uit 28 oogsten. Lekker! Terug in het winkeltje liet hij ons ook nog even twee rode wijnen uit 2006 proeven, als klap op de vuurpijl. Van de 50 vaten waren er drie van sublieme kwaliteit, en die zette hij ons voor. Alsof er een engeltje… Afijn. Deze waren dan ook zo’n 30 euro per fles. Ook liet hij ons en passant nog even de behaalde prijzen zien, o.a. die van de beste Riesling van de wereld in 2003. Na het winnen van de prijs hebben ze die niet meer verkocht, maar voor eigen gebruik gehouden. Zo zijn ze dan wel.
Met 12 flessen wijn, twee van iedere soort die we lekker vonden, en verpakkingsmateriaal om ze in het vliegtuig te vervoeren, zijn we vertrokken. Zes flessen om hier op te drinken, zes om thuis met deze en gene 😉 te proeven. En hij vond ons blijkbaar zo aardig, dat we ook nog eens de aangebroken 2006 flessen meekregen (die van die drie sublieme vaten) en een fles van de winnende Riesling uit 2003. We waren er enorm vereerd mee natuurlijk, maar we waren vooral blij met deze ontmoeting. Deze man nam, zoals de meeste mensen die we hier tegenkomen, echt de tijd voor ons. We hebben genoten en hele lekkere wijn meegenomen. En aangezien hij nog geen afzet in Europa heeft en wil uitbreiden… houden we de naam van deze wijngaard nog even voor onszelf… We zien wel wat in een handeltje met deze man, niet in de minste plaats omdat we deze wijn dan ook thuis kunnen proeven. Arme Henri Bloem… Cheers!